Doorgaan naar hoofdcontent

evolutie I

Hoofdstuk 1 De evolutietheorie (het neodarwinisme).

Het wel of niet aanvaarden van de evolutietheorie blijft een heet hangijzer binnen zowel het christelijke geloof als de natuurwetenschap.
Binnen de natuurwetenschap omdat het ontstaan van één levende cel uit levenloze materie niet tot de aardse, natuurlijke mogelijkheden behoort.
Binnen het christelijke geloof omdat het bestaan van Jezus Christus als God en mens geen natuurlijke mogelijkheid is en omdat het evolutieverhaal  strijdig is met de geschiedenis van hemel en aarde zoals het begin daarvan verteld wordt in Gen. 2 vanaf vers 4: het bestaan van het paradijs en de verleiding van de eerste mensen door de slang (satan). Daarom wordt de Here Jezus door de apostel Paulus de 2e Adam genoemd.
De Islam heeft geen problemen met de evolutietheorie omdat ze die theorie bij voorbaat volledig uitsluit als mogelijkheid.

1.1. Eerste reden om de evolutietheorie niet serieus te nemen.


Nu in het voorjaar zie je overal om je heen de uitbundig en prachtig bloeiende bomen en struiken. Een goede reden om ze wat beter te leren kennen. Wat als eerste opvalt is de bijna ontelbare hoeveelheden bloemen aan elke boom/struik. En elke bloem kan één of meer vruchten vormen met daarin één of meer zaden. Als v.b. enkele foto's.
                                               
                                                         bloeiende wilgenstruik

bloeiend mannelijk wilgenkatje!
Drie rijen treurwilgen met de katjes.

Vrouwelijke katjes van de wilg.

Probeer maar het aantal katjes te tellen. En daarna het aantal meeldraden per katje. Tenslotte het aantal stuifmeelkorrels in één meeldraad. Waarom zo'n overmaat?
De 'strugle for live' en 'survivel of the fittist' geven daar geen antwoord op.
Een klein wilgenbosje kan de wijde omgeving van zaden voorzien.
Ik zal proberen het aantal zaden in 1 katje van de treurwilg te tellen. Daarna het aantal katjes schatten aan 1 boom. Tenslotte het totaal aantal zaden berekenen van de 3 rijen wilgen dichtbij Krimpen ad IJssel.
Resultaat: ongeveer 120 treurwilgbomen.  Elke boom ong. 8 a 10.000 takjes. 
                                 120 x 9000 takjes = 1.000.000 takjes.  Elk takje ong. 10 katjes.
                                 Dat is samen ong. 10 miljoen katjes. Elk katje bevat ong. 60 vruchtjes.
                                 In totaal ong. 600.000.000 vruchtjes of zaden (1 zaad per vruchtje).
Nederland heeft een opp. van ong. 42000 km2.
Dit kleine perceeltje wilgen kan 15 zaden per km2   produceren. Heel Nederland zou in vrij korte tijd met treurwilgen bedekt kunnen worden.  

Hetzelfde verhaal geldt voor iepen, elzen, populieren, berken, eiken, beuken, essen enz.
Hierbij nog het v.b. van de berk. Een berkenboom heeft zowel mannelijke als vrouwelijke katjes.  












En een vergelijkbare situatie geldt voor vele soorten planten. Klein hoefblad behoort net als de paardenbloem tot de composieten. Bijna alle soorten composieten maken per plant duizenden zaden en vruchtjes.  Genoeg om in korte tijd heel Nederland van jonge planten te voorzien als het milieu (grondsoort, temperatuur, zuurgraad etc.) daarvoor geschikt is. Bovendien plant de plant zich ongeslachtelijk voort door wortelstokken.

grote groep klein hoefblad.                                        enkele bloemhoofdjes.

 Als toegift nog een foto van eikenbloempjes:   
         

                                                                                                                                                                  Het milieu selecteert (zowel biotische als abiotische factoren)!
Of de mens; doelbewust! Niet 'de natuur' als mythologisch begrip.
Het milieu bepaalt het voorkomen en de aantallen van een organisme. Het milieu selecteert uit datgene wat voorhanden is aan alle mogelijke genotypen. Genotypen binnen een soort kunnen vele variaties vertonen; ook bij mensen. Verschillende varianten kunnen meer of minder goed passen in een bepaald milieu. Nog beter gezegd: in een bepaalde niche. Ook dit geldt voor mensen.   
                                                             
Nog veel sterker geldt dit voor de grassenfamilie. De grassenfamilie is al heel wonderlijk gebouwd met knoppen onder aan de stengels zodat het rustig begraasd en afgemaaid kan worden en steeds opnieuw uitloopt. Onder aan de stengels ontstaan nog uitlopers en/of wortelstokken voor de ongeslachtelijke voortplanting. De bloempjes zijn nog veel wonderlijker. Georganiseerd in aartjes en die soms weer in aren of pluimen. Aarpluimen kan ook nog. Als je een rietveld ziet is de situatie helemaal overweldigend. Uit 1 plant kan een heel veld ontstaan door wortelstokken. Elke rietpluim bevat duizenden bloemen. Grassen vormen het overgrote deel van de voedingsgewassen voor de mens: granen, rijst, maïs. Voor de bouw zie wikipedia. Zelfs bamboe behoort tot de grassen fam.                                                                                                                                                                                                                                                                                               bloeiend kropaar.
                           
A = aartje
B = stempels van de stamper
C = helmhokken van de meeldraden
D en E = kelkkafjes
F en G = kroonkafjes
H = bloempje

Per helmhokje worden duizenden (miljoenen?) stuifmeelkorrels gevormd. Het aantal graszaden per soort door heel Nederland is legio! 
Het antwoord op de vraag waarom er zoveel is: merendeels als voedsel voor de allerkleinste en allergrootste dieren. Stuifmeelkorrels worden gegeten door minuscule 1-celligen, kevertjes, wormpjes, slakjes, larven van insecten en al het overige kleine grut in de grond en in water! Zij zorgen ervoor dat de grond vruchtbaar blijft voor alle soorten planten. Ook schimmeldraden voeden zich met  organische stoffen in de bodem. Die schimmels zijn vaak weer nodig voor de voedselopname door veel boomsoorten. Alle paddenstoelen bestaan grotendeels uit schimmeldraden door de grond of door hout (levend of dood).
De paddenstoelen op hun beurt produceren ongelofelijk veel sporen. Eén aardappelbovist miljarden of biljoenen. Volgens mij nog nooit geteld!
Scleroderma citrinum.jpg
https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/thumb/7/73/Scleroderma_citrinum.jpg/266px-Scleroderma_citrinum.jpg

Ook voor de quadriljoenen (en nog oneindig veel meer) sporen van alle paddenstoelen samen geldt dat het een uitbundige voedselvoorraad is voor miljarden organismen. Ontstaan via natuurlijke selectie?
Selectie van genenmateriaal leidt niet tot zorg voor andere organismen!
Een algemeen toegepaste redenering luidt dat de grote aantallen stuifmeelkorrels, vruchten, zaden en sporen noodzakelijk waren in de concurrentieslag tussen organismen; juist vanwege het gegeten worden. Maar dan denken we in een kringetje rond: steeds meer produceren - steeds meer gegeten worden -steeds meer gegeten worden enz. tot in het oneindige! Ook de gedachte dat de windverspreiding van sporen, zaden en stuifmeel deze aantallen noodzakelijk maakt is ongeloofwaardig. Daarvoor is er een te grote overvloed. Denk daarbij vooral aan de grassen. Trouwens eikels, beukennootjes, kastanjes en veel fruit van vruchtbomen worden niet door de wind verspreid.

Voor veel diersoorten geldt eveneens een bovenmate grote voortplantingscapaciteit. Denk aan muizen, ratten, grondeekhoorns, insecten, spinnen, vissen, zeeanemonen, krabben en kreeften.
Meer over een muizenplaag ND, muizenplaag. En over het leven van de Huismuis.

De overweldigende voortplantingscapaciteit bij vele organismen (uitgezonderd bij vele roofdieren) vormt een groot energetisch probleem voor de evolutietheorie. Bedenk eens wat het betekent om alle kelkblaadjes, kroonblaadjes, stampers en meeldraden te vormen. En daarna nog de hele cyclus van bestuiving, bevruchting, groei van vruchten en zaden!! Samen met de reductiedelingen en ontkieming van stuifmeelkorrels. Wat een energieverspilling door miljoenen soorten. Dit is volledig in strijd met de idee van 'natural selection' of 'the preservation of favoured races in the struggle for live'.

Laten we daarbij letten op de voedselproductie voor de mens. De hele natuur produceert meer dan genoeg zaden en vruchten voor de voeding van de hele wereldbevolking. Algen, granen, (sinas)appels, druiven, citroenen, pruimen etc. etc. kregen we door selectieve en doelgerichte kweek zo "gek" dat ze oneindige hoeveelheden voedsel gaan produceren. Ook door koeien, geiten, lama's, kamelen, kippen en schapen trouwens. Het genenmateriaal was daarvoor blijkbaar in aanleg geschikt. Wij plukken de "vruchten", niet van miljoenen jaren evolutie, maar van in oorsprong geschapen natuurlijke mogelijkheden.
Darwin was hierover zo verwonderd dat hij het resultaat van selectie door de mens bij zowel dieren (duiven, honden, paarden) als planten gebruikte als hoofdargument voor zijn niet zo bijster originele theorie.
Maar hoe is die nuttige aanleg bij voedselplanten en huisdieren ontstaan ?? Toen ging hij fantaseren. Daarover bij de bespreking van de 'Origin of species'.


















1.2. Tweede reden waarom de evolutietheorie niet serieus te nemen is.

Darwin had er nog geen flauw vermoeden van hoe de eerste levende cel zou kunnen ontstaan.
Nadat het bestaan van genen was ontdekt, mede door de kennis van de erfelijkheidswetten door het onderzoek van Mendel met erwten, kwamen er allerlei theorieën over mogelijk nieuwe soortvorming dankzij mutaties van erfelijk materiaal. Dit werd het neo-darwinisme. Darwin zelf had er wel een vermoeden van dat zijn natuurlijke selectie alleen niet afdoende was ter verklaring voor het ontstaan van alle wonderlijke eigenschappen van soorten. Hij veronderstelde daarom dat er in de 'lichaamsuiteinden' (b.v. de huid, slijmvliezen, zintuigen) onmeetbaar kleine stofjes konden ontstaan die via het bloed naar de voortplantingsorganen zouden worden vervoerd. Aldus zouden door het milieu en/of ervaringen opgedane eigenschappen kunnen worden doorgegeven aan het nageslacht. Intussen is de leer over toevallige mutaties in het genoom aan ernstige slijtage onderhevig. Er is eindeloos geëxperimenteerd met behulp van chemische stoffen en radioactieve straling om de mutatiesnelheid fiks te verhogen. Het vliegje Drosophila (fruitvlieg) heeft vele veranderingen ondergaan variërend van kleur, vleugelvorm, oogvormen etc. Echter zonder enig positief resultaat.
Natuurlijk omdat een bestaand organisme al tot in alle perfectie is ontwikkeld. We moeten dus maar aannemen dat dit miljoenen jaren geleden niet het geval was.
In 1953 probeerde Stanley Miller de mogelijkheden van het ontstaan van een eerste primitieve levende cel te onderzoeken. Levende cellen zouden in een 'oersoep'  van organische stoffen ( die nooit heeft kunnen bestaan!) in zee zijn ontstaan mede onder invloed van bliksemstralen en vulkaanuitbarstingen. Na elektrische ontladingen in een gasmengsel van NH3, CO, CH4, H2  ontstonden er enkele aminozuren (de bouwstenen voor eiwitten). De kleinste eiwitten bestaan echter uit honderden van 16 verschillende aminozuren. Die moeten dus allemaal in voldoende mate in een levende cel aanwezig zijn. De aminozuren moeten in een strikt bepaalde volgorde worden samengevoegd. Gelukkig, dit kan dankzij de aanwezigheid van DNA in de celkern. Het DNA zelf moet echter eerst worden opgebouwd uit 4 verschillende elementen: adenine, cytosine, guanine en thymine. Dit zijn behoorlijk ingewikkeld gebouwde organische stoffen. Zie daarvoor: bouw DNA.
Maar het DNA kan op zichzelf niets! Er is voorgeprogrammeerd RNA nodig. Dit RNA bezit uracil i.p.v. thymine. Maar wie bouwt het RNA in goede volgorde? Dan heb je nog ribosomen nodig.
Dit zijn ongelofelijk ingewikkeld gebouwde organellen die als miljoenen kraaltjes langs het endoplamatisch reticulum liggen. Rondom elk ribosoom ligt een ring van RNA perfect georganiseerd. Het reticulum is een voortzetting van de celmembraan. Maar de celmembraan heeft nog weer heel andere bijzondere eigenschappen om bepaalde stoffen wel of niet te kunnen doorlaten in de juiste hoeveelheden. Daartoe bevat het allerlei doorlaatpoortjes die weer ingewikkeld gebouwd zijn. Dit is nog lang niet alles! Er is nog een Golgi-netwerk en plantaardige cellen hebben chloroplasten (bladgroenkorrels) nodig om de plant te laten groeien. Daarnaast zijn er in bijna alle cellen mitochondriën om te zorgen voor het verbrandingsproces.

Als je wilt weten hoe ingewikkeld een mitochondrie gebouwd is kun je dat opzoeken in Wikipedia: mitochondrie.

Afbeelding van een mitochondrium.

Mitochondrion


Afbeelding van een chloroplast:  chloroplast.

Afbeeldingsresultaten voor Chloroplast Structure










Realiseer je nu dat al deze structuren zijn gebouwd van eiwitten. Om een levende cel te maken heb je er dus duizenden nodig. Het hele DNA is ook nog omgeven met een eiwitmantel. Die moet geopend worden als het DNA zich verdubbelt.
Voor het maken van alle organische stoffen zijn enzymen noodzakelijk. Zonder enzymen gebeurt er niets!! Zelfs voor het openen van de dubbele streng DNA zijn enzymen nodig. Natuurlijk ook voor de bouw van adenine, thymine, cytosine, guanine en uracil. Zo'n eiwit moet niet alleen maar een precieze volgorde van aminozuren hebben (die wordt bepaalt door de volgorde van de basenvolgorde in het DNA, mRNA (Messenger RNA), tRNA (transport RNA) en rRNA (ribosomal RNA)) maar ook een heel speciale vorm om z'n werk te kunnen doen.

Wil je graag meer weten van de hele apparatuur die nodig is voor de eiwitsynthese bezoek dan de website: cell-biology en genetics.

Enzymen die moeten zorgen voor heel veel reacties in de cel en voor de bouw van eiwitten bestaan zelf grotendeels uit eiwitten met een heel speciale groep (de prostetische groep). Deze specifiek gebouw groep die de 'kop' van het enzym vormt brengt de stoffen die samengevoegd moeten worden bij elkaar en bewerkt de koppeling. Voor de splitsing van moleculen zijn weer andere enzymen nodig.
Om een idee te krijgen van de werking van een enzym de volgende illustratie:

RNA polymeraseDit is een model van een enzym (paars) dat er voor zorgt dat er een transcriptie wordt gemaakt van een stukje chromosoom (blauw). Er ontstaat zo een stukje RNA (groen). 

Een bekend evolutiebioloog, Bill  Bryson, heeft berekend hoe groot de kans is dat een vrij eenvoudig eiwit (collageen) wordt samengesteld door toeval. Collageen bestaat uit 1035 aminozuren. Om deze in de juiste volgorde te krijgen zijn 10 260  toevalshandelingen nodig.  Dit getal (10 tot de macht 260) is groter dan het aantal atomen in het heelal !! Hoe moet dat nu worden gerealiseerd als er in een lichaam 100.000-den eiwitten nodig zijn om te functioneren. En perfect met elkaar moeten samenwerken om alles op te bouwen en in bedrijf te houden met de enzymen. Een reusachtige fabriekshal voor de bouw van vliegtuigen met duizenden man personeel (vgl. de enzymen) is er niets bij! Geen wetenschapper heeft het kunnen verzinnen. Laat staan het ontstaan ervan verklaren.
Het ontstaan verklaren van een hamer, beitel, schroef of boor buiten de mens om is al een onmogelijkheid voor elke wetenschapper. Logisch omdat dat geen levende wezens zijn.
Maar het ontstaan verklaren van  één levende cel door de wetenschap, buiten de Schepper om, is helemaal onmogelijk!

Om het hele verhaal een beetje aanschouwelijk te maken de afbeeldingen van een plantaardige en een dierlijke cel.
Plant cell structure svg labels
a plasmodesma  b plasmamembraan  c celwand  e zetmeelkorrel  f vacuole  h mitochondrium  j cytoplasma  p ribosoom  r, s Golgi netwerk
             1 chloroplast   2 vacuole   3 celkern met kernmembraan en nucleolus.
                               
Animal Cell
1  nucleolus  2 celkern  3 ribosoom  4 vesikel  5 endoplasmatisch reticulum  6 Golgi netwerk 
                    9 mitochondrium  10 vacuole  11 cytoplasma  12 lysosoom  14 celmembraan                


1.3 De levensboom.

De organismen kunnen op diverse manieren met elkaar verbonden worden. Dit gebeurde in vroeger eeuwen op grond van anatomische overeenkomsten. Planten en dieren werden ingedeeld in 
geslachten, families, orden, klassen en stammen (fyla).
Tegenwoordig worden alle levende wezens vaak opgenomen in een zgn. cladistiek gebaseerd is op 
1. fylogenie (afstamming)
2. moleculaire fylogenetica (DNA en andere genetische informatie).
Zo ontstaan cladogrammen.  In een cladogram worden soorten of grotere groepen hiërarchisch geordend op basis van evolutionaire achtergronden en ontwikkelingen. Dit gebeurt na analyse van uitwendige kenmerken van een fossiel + de genetische informatie afkomstig van (verwante) levende wezens.
Uitgangspunt bij een cladogram is het bestaan van een gemeenschappelijke voorouder van elke clade.
Als die voorouder niet gevonden is geworden wordt die voorondersteld.

Het zal duidelijk zijn dat dit hele systeem van cladogrammen geen bewijs kan vormen voor de evolutie van soorten en geslachten. Omdat het systeem is gebaseerd op evolutionaire ontwikkeling. Dit uitgangspunt wordt dus steeds opnieuw bevestigd. Het komt als "aap uit de mouw".
Voor de moleculaire genetica geldt deels hetzelfde. Bovendien is dit een tak van wetenschap die nog in de kinderschoenen staat en vaak nogal tegenstrijdige uitkomsten biedt.

a Het cladistisch systeem 

(uit: Triton, Natuur: Evolutie; enigszins vereenvoudigd).
De hiërarchie in het systeem heb ik steeds met Romeinse getallen(I, II enz.) aangegeven. 
De letters a, b enz. en 1, 2, 3 enz. bevatten groepen van hetzelfde niveau. 
De knooppunten laten zien hoe twee of meer claden binnen een grotere groep divergeren. De claden boven een knoop hebben een gezamenlijke voorouder.
Het genoemde aantal soorten betreft de huidige situatie!

I Prokaryoten: 400 soorten Archaea.
                           geen fossielen.
                           Leven zowel aeroob als anaeroob. 
IEubacteria    a) 300 soorten cyanobacteriën.
                                Door fotosynthese  bouw van organische stoffen en 
                                productie van zuurstof.   
                                Vanaf precambrium. Bouwen nu nog
                                 stromatolietenheuvels in warme, ondiepe zeeën.  
                            b) 10.000 soorten bacteriën. 
                                 Indeling op grond van genetische kenmerken.
                                 Geen fossielenarchief.

Voor alle prokaryoten geldt dat er geen voorouder bekend is.  

De oudste landplanten zouden zijn ontstaan in het Siluur: Cooksonia.
Cooksonia had tracheïden (met lignine), stomata en sporenkapsels.
Nog geen wortels?
Ze groeiden dichtbij water!
                                                     https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/thumb/8/84/Cooksonia_pertoni.png/266px-Cooksonia_pertoni.png


Als we uitgaan van een prachtig geschapen aarde met veel meer soorten organismen dan er nu zijn en een aardbol verdeeld over vele "continenten" waar bijna overal een min of meer (sub)tropisch klimaat aanwezig was, is het goed denkbaar dat langs de eindeloos uitgebreide kustgebieden miljarden planten en dieren leefden. Die we nu terug vinden in lagen die we precambrium en cambrium noemen.
Hoger op het land zullen andere planten en diersoorten (zie het volgende onderdeel) geleefd hebben. B.v. mossen, varens, paardenstaarten, paddenstoelen en wolfsklauwen.
Na de opstand van de eerste mensen (de zondeval) veranderden de ecologische omstandigheden drastisch. De aarde zou "dorens" en "distels" voortbrengen. Met als gevolg zware lichamelijke arbeid van de man in het veld voor de voedselvoorziening. 
Gods toorn gaat voortaan over mens en natuur!  Ondanks de beloofde redding!
Er komen, denk ik, zware regenbuien en onweersbuien, overstromingen door rivieren, grotere temperatuurverschillen  enz. Terugkeer naar de eerste paradijselijke toestand is niet mogelijk. 
Misschien dat ook de eerste verschuivingen van grote landmassa's zijn opgetreden met als gevolg een eerste ontstaan van hoge heuvels of lage bergen. Met mogelijke gevolgen van aardbevingen en vulkanisme. Maar dit laatste is volledig speculatief.
Tot aan de periode van het Perm zijn er twee grote orogenese-formaties ontstaan:
1. De Caledonische gebergtevorming; middelhoge gebergten in Engeland,
    Schotland, New Foundland en de Appelachen in Noord-Amerika. 
    Gesteld op 450-400 milj. jr. geleden (Siluur/Devoon).
2. De Hercynische gebergtevorming; middelhoge gebergtevorming 
     in heel West-Europa. Tot aan de Oeral. 
     Gesteld op 360-280 milj. jr. geleden (Carboon/Perm).
Tijdens deze diep ingrijpende gebeurtenissen, samengaand met aardverschuivingen, aardbevingen en grootschalig vulkanisme kunnen alle gefossiliseerde plantaardige organismen zijn bewaard gebleven  vanaf eencelligen t/m de boomvarens, lepidodendrons en naaktzadigen. De naaktzadigen zullen veelal op hogere gebieden en hogere breedtegraden geleefd hebben. Net als nu veelal het geval is.
Het ontstaan van de Angiospermen (de bedektzadige, bloeiende planten) na de aardlagen "perm" (en dus na de grote extinctie) vraagt om een verklaring. Tijdens die extinctie zou 90 % van alle soorten zijn uitgestorven. Volgens sommige geleerden  zouden vertegenwoordigers van de grote verscheidenheid aan bloemplanten toch al voor het "permtijdperk" aanwezig geweest kunnen zijn.
Een vergelijkbaar probleem zullen we tegen komen bij het voorkomen van dierlijke fossielen voor en na "perm".
Op de pg. geologie heb ik de belangrijkste vindplaatsen van fossielen op de wereldkaarten aangegeven en de mogelijkheid besproken dat vloedgolven en meegesleurde fossielen vanaf grotere hoogten veel kunnen verklaren. Evenals misschien het ontstaan van steenkoollagen en aardolie. Daartoe zou het noodzakelijk zijn om alle fossielen in verschillende soorten steenkool intensief te onderzoeken.                                          
                    
Van zowel Prokaryoten als Eukaryoten is geen enkele ontstaanstheorie bekend. Natuurwetenschappelijk gezien is hun ontstaan uit levenloze materie onmogelijk.
De Embryofyta (landplanten) zijn misschien vanuit verschillende vooroudergroepen ontstaan. Dan zijn ze dus polyfyletisch! 
De Psilotales komen nu nog massaal voor in de tropen. Hetzelfde geldt voor de Selaginellales.
De Isoeltales (de biesvarens) komen veel voor in Nederland en verder haast overal in de wereld.
De Stomatophyta (hoornbladen, mossen, wolfsklauwen, paardenstaarten en "hogere" planten t/m de 
bloemplanten) hebben allemaal huidmondjes (stomata). Ze ontwikkelen ook blaadjes, wortels (uitgezonderd de mossen), wortelstokken en steunweefsel.
De Filicopsida worden aangetroffen in de aardlagen van Devoon en Carboon. Vele soorten sterven daarna uit en komen dominant terug in Jura en Krijt. 
Cooksonia uit het Devoon was een eerste landplant  met sporenkapsels, huidmondjes, tracheïden en lignine (houtstof). De evolutionaire ontwikkeling van al deze cellen en weefsels is onbekend!
Bij de Lepidospermae en de Pteridospermae komt "zaadvorming" (zoals de namen zeggen) al voor in het Carboon.
Bij de Spermatofyten (gymnospermen en angiospermen) is de grote vraag of ze vanuit de Zaadvarens, de Cycadeeen en de Benettitales ontstaan zijn. 
Cycas groeit nu vooral in de tropen en heeft 2 zaden per vruchtblad. Ze kwam al voor in het Perm.
De Benettitales zouden stammen uit het Devoon. Ze hebben een "perianth". De vraagt is of er toen al insectenbestuiving voorkwam. Ook de Gnetales uit het Perm hadden al "bloemen".
En zijn de Angiospermen ontstaan vanuit de Gymnospermen? Van al deze hoofdgroepen zijn de voorouders dus onbekend. Angiospermen worden al gevonden in het onder-Krijt. B.v. zaden van beuken en moerbeibomen.  De evolutie binnen de wereld van de Angiospermen is volslagen onzeker.

Samengevat: de voorouders van alle stammen (phyla), klassen of orden van het hele plantenrijk zijn niet aan te wijzen. Dit blijkt uit het herhaalde gebruik van "knopen" in het systeem.

Nu naar het dierenrijk, de Metazoa. Ze komen in het cladogram gewoon uit de lucht vallen of beter gezegd oprijzen vanuit de diepte, het onbekende.

Sponzen en kwallen komen vanaf het allereerste begin van de schepping voor. Geen wonder, ze kunnen zich niet of nauwelijks voortbewegen. Ribkwallen zijn ingenieus gebouwd met rijen gekamde ribben met trilharen waardoor ze zich goed kunnen bewegen. 
De  Protostomata of ongewervelden waren er al 800 milj. jr. geleden (?) In ieder geval ook vanaf het begin. Tot de Protostomata behoren de Brachiopoden, alle klassen van Wormen en de Geleedpotigen.
Brachiopoden zitten vast. Ze hebben een lofofoor. voor ademhaling en voeding. Ze komen eveneens  voor vanaf het allereerste begin. Het zijn 2-kleppigen met ingewikkelde bouw. Bij de Eumetazoa komen gespecialiseerde weefsels voor en bijzondere organen. Deze ontwikkelen zich in het embryo vanuit endodermis, mesodermis en ectodermis. Net als bij ons, mensen.
Daarna komen  Platwormen, Rondwormen  en Ringwormen. Alle drie stammen totaal verschillend van bouw en leefwijze. De ringwormen  zijn ingewikkeld gebouwd met spieren, darmkanaal, bloedvaten, kieuwen, oogvlekken en zenuwstelsel. Plus bijzondere vormen van voortplanting. (Op de pg. Evolutie II heb ik dat laten zien).
Voor Mollusken geldt hetzelfde. Schelpdieren, slakken en inktvissen kunnen moeilijk uit elkaar ontstaan zijn. Ze zijn weer d.m.v. "knopen" met elkaar verbonden.
Inktvissen behoren tot de snelle en perfect gebouwde dieren van de zee en de diepzee. Met verbazingwekkende eigenschappen, b.v. met ogen als van zoogdieren.
Tot zover waren het grotendeels waterdieren. Maar Platwormen, Ringwormen en Slakken leven zowel op land als in water. 
De Arthropoda (geleedpotigen ) waren volop aanwezig in of voor het Cambrium. (zie ook daarvoor Evolutie II). En trilobieten, spinnen, kreeftachtigen, duizendpoten, miljoenpoten en insecten moeten toch wel onafhankelijk van elkaar ontstaan zijn.  
De Spinnen etc., samen met Duizendpoten en Miljoenpoten, komen te voorschijn in het Siluur.
De 6-potige Insecten etc. zijn er vanaf het Devoon. 
Als we ons realiseren dat er tijdens Siluur/Devoon enorme veranderingen optraden over de hele aardbol door de Caledonische plooiing is het niet vreemd dat snellere, beter toegeruste waterdieren samen met landdieren fossiliseren. Grote rivieren met overstromingen, aardbevingen (met tsunami's ?) en vulkaanuitbarstingen, orkanen, hevige regenval en grote droogte gaan een rol spelen. Zelfs Haaien en Roggen verschijnen vanaf het Siluur in het fossielenbestand. 
Andere zeer hoog "ontwikkelde" diergroepen  als Krabben, Kreeften etc., samen met de Stekelhuidigen (Echinodermata) leefden al vanaf het Cambrium in de zeeën en op het land.
Toen trouwens ook  al de Hemichordata en de Urochordata.  Onze "verwanten"?
De echte straalvinnige vissen (de Actinopterygii) zijn ook aanwezig in de Silurische aardlagen. De eerste orogenese kan ze gemakkelijk bij duizenden overstelpt hebben met sediment materiaal. Daaraan konden ze ontkomen in de tijden daarvoor met langzame sedimentdepositie. Terwijl toen de zwaar gepantserde vissen (Agnatha enz.) wel omkwamen.
De Sarcopterygii (Coelacanthen) leefden ook in het Devoon. Het zijn en waren goede zwemmers en konden "lopen" over de zeebodem of op het vlakke land langs de kust. Er leven nu nog vissen die dat goed kunnen: de slijkspringers (fam. grondels). Longvissen leven nu nog op overeenkomstige manier als toen.

Het einde van een eerste grote aardgeschiedenisperiode wordt gevormd door het Perm. Daarvoor hebben we de 2e orogenese gehad: De Hercynische plooiing. Daarop volgde de 1e grote extinctie. Komt daarbij 90 % van alle levende wezens om?  Vooral door enorme vulkaanuitbarstingen? Daar zijn sterke aanwijzingen voor!

De volgende aardperiode begint met het Trias. Dan verschijnen Amfibieën (kikkers en salamanders). 
De zeer grote groep van Tetrapoda (viervoetigen) is al begonnen in het Devoon door met lobvormige vinnen over de zeebodem te lopen; vervolgens het land op. Denk aan Tiktaalik!  Salamanders konden daaruit voortkomen (?).
Maar de Amniota (eierleggende landdieren) zijn aan hun opmars begonnen in het Carboon. Samen met de Synapsida (zoogdieren en al hun verwanten). Volgens de theorie zijn de laatste herrezen in het Kaenozoïcum!! Hagedissen, slangen, schildpadden en de zeer gecompliceerde Sauriërs vonden daarna hun weg. Gedurende Trias en Jura. Van de Sauriers waren de Cynodonten speciaal. Ze worden beschouwd als de voorvaders van de Zoogdieren en leefden in Perm en Trias.
Voor al de bovengenoemde groepen geldt dat er nergens sprake is van een "bewezen" voorouder.

Intussen moeten we wel bedenken dat het ontstaan van eieren van reptielen en vogels een groot wonder vereist.
Het reptielenei heeft een dooier (de eigenlijke eicel), omhuld met een vlies, daaromheen eiwit en dan nog een stevige, leerachtige schaal.  
Bij vogels is een kalkschaal aanwezig
Bouw van een vogelei:
 
Bouw ei:
1. kalkschaal, 2. schaalhuid, 3. binnenste schaalvlies, 4. chalaza, 5. buitenste eiwit, 6. middelste eiwit, 7. dooiervlies, 8. eidooier, 9. kiemvlek, 10. donkergeel eidooier, 11. lichtgeel eidooier, 12. binnenste eiwit, 13. chalaza, 14. luchtkamer, 15. cuticula

Dan hierbij nog bedenken dat er voor de vorming van dit ei de volgende stappen nodig zijn:
1. dooier + vlies en in de eierstok.
2. eiwit + vlies in de eileider
3. schaal met vliezen in de schaalklier van de eileider. 
4. De eischaal wordt tenslotte wel of niet versierd met een kleurpatroon 
    dat van groot belang is voor een veilige broedperiode.

De Mammalia vangen hun geschiedenis aan in het Trias. Vanaf het Krijt leven vele groepen Zoogdieren (en niet alleen kleine spitsmuisachtigen) samen met de Dinosauriërs. In de Morrison-formatie, die een groot gedeelte van de VS ten oosten van de Rocky Mountains beslaat, werden ze tezamen begraven. Ze fossiliseerden dankzij de periode van orogenese tijdens het ontstaan van de Rocky's. Rond 156 milj. jr. geleden. Dus tussen de Hercynische en de Alpiene Plooiing in!
De Mammalia zouden zijn voortgekomen uit de Cynodontia.

Wat vooral opvalt is dat er nergens tussen de groepen een echt bestaand hebbende voorouder wordt genoemd. Hoogstens moet een groepsnaam bij een knoop een voorouder veronderstellen.
Of er binnen zoogdieren en bloeiende planten overtuigende, duidelijke bewijzen zijn voor evolutionaire ontwikkelingen hoop ik op de pagina 'geologie' te behandelen. Er zijn in de geologie wel mooie reeksen beschreven van paarden, walvissen, neushoorns, herten, olifanten e.a., maar of tussenvormen  van huidige diersoorten bewijs is voor evolutie is nu juist zeer de vraag! 
Wat eveneens opvalt is dat er binnen de Sauriers toe geredeneerd wordt naar vogels en zoogdieren.
Betreffende de vogels: via Coelurosauria en Campsognatidae komen we uit bij Sinosauropteryx.
En via de Tyrannosauridae gaan we naar de Maniraptora en de Oviraptorosauria met "vleugels".
Met nog een overstapje naar de Alvarezsauridae komen we nogal snel terecht bij de Avialae (vogels).
Als nevengroep nog de Dromaeosauridae die drievoudig geveerd zijn en grote hersenen hebben. Alsof stuntelig rondfladderende sauriers kunnen veranderen in echte vogels met hun schitterend vliegvermogen. Bestudeer ze maar uitvoerig!
Betreffendde de zoogdieren: Binnen de Synapsida vallen de Sphaenocontidae op door hun gebitsontwikkeling. Via de Thereodontia gaan we naar de Cynodontia die een volledig secundair gehemelte hebben, grotere hersenen en betere zintuigen. Daarbij komt nog het sprookje van kaakbeenderen die verplaatst worden en gehoorbeentjes gaan vormen.
Naasst al de overgangen van vissen naar amfibieen, van amfibieen naar reptielen, van reptielen naar  vogels en zoogdieren, van zoogdieren naar vleermuizen en walvissen enz. enz. is zonder enig bewijs voor echte afstamming via voorouders het verhaal gecompleteerd.
Binnen de pg. 'geologie' hoop ik uitvoeriger terug te komen op mogelijke evolutielijnen binnen diverse
stammen, klassen, orden en families van zowel planten als dieren.

Een overzicht van de tot nu besproken hoofdgroepen:
Protostomia zijn de 2-zijdig-symmetrische dieren. Ook wel genoemd de Bilateria. 
Dit zijn hoofdzakelijk ongewervelde dieren. Vanaf de Rotifera (raderdiertjes, microscopisch klein, kosmopolitisch) t/m weekdieren en geleedpotigen. 
Deuterostomia zijn de Echinodermen (stekelhuidigen) en de gewervelde dieren (vertebraten).
Evolutionisten menen dat alle gewervelden afstammen van de chordata b.v. lancetvisje en Pikaia. Dieren met een weefselstreng (de notochord) die later vervangen zou zijn  door de wervelkolom.
Tetrapoden zijn de viervoeters die zich zouden hebben ontwikkeld vanaf Tiktaalik en Ichtyostega tot amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren.
Amniota zijn alle dieren die eieren leggen met een grote voedselvoorraad omgeven door vliezen en een schaal. Dus reptielen en vogels.
Synapsida zijn de dieren met één lagere schedelopening achter het oog. Dit zijn de uitgestorven verwanten van de zoogdieren (hagedisachtig of saurierachtig) samen met alle zoogdieren. Uit de Cynodonten stamden de zoogdieren (?) 
Mammalia zijn de Monotremata of Cloacadieren (eierleggende zoogdieren) , de Marsupialia (de buideldieren) en de Placentalia (levendbarend, met placenta).
Theria zijn de buideldieren en de levendbarende zoogdieren samen. Ze worden nog weer onderverdeeld in Afrotheria (o.a. olifanten, zeekoeien, klipdassen aardvarkens) , Euarchontoglires (konijnen, hazen, eekhoorns, bevers, ratten en primaten (apen en mensen)) en Laurasiatheria (vleermuizen, hoefdieren, roofdieren, kamelen, herkauwers, nijlpaarden en walvissen en dolfijnen).

Via een lange route komen we uit bij de Avialae (vogels):
Eerst de Archosauromorpha (b.v. krokodillen en pterosauriers),
daarna de Ornitischia (b.v. Triceratops),
vervolgens de Theropoda (b.v. Gigantosaurus, Megalosaurus, Microraptor en Tyrannosaurus),
tenslotte de Coelurosauria (b.v. Archaeopteryx en andere bevederde sauriërs en alle vogels.).



Samengevat in schema:

Diergroep:                      Fossielen  vanaf:   

Metazoa                           (pré-)Cambrium
Sarcopterygii                   Siluur
Actinopterygii                 Siluur
Anura en Urodela            Trias/Jura   
Amniota                           Carboon
Squamata                         Jura
Cynodonten                     Perm/Jura 
Mammalia                       Trias/Jura
Theria                              ??? 
Marsupialia                      Krijt
Eutheria                            Krijt  
Afrotheria                         Krijt
Primaten                           Paleogeen
      (o.a. Orang oetan)
      Gorilla                         geen fossielen 
Chimpansee en mens        Neogeen (7 milj. jr. geleden afgesplitst).  

b Voorlopige beoordeling cladistisch systeem.

Als we de gegevens van de cladistiek samen nemen met de gegevens van de vindplaatsen van de fossielen met hun ecologische omstandigheden (vermeld op de pg. 'geologie') dan geeft dat aanleiding tot de volgende opmerkingen:  
1. Hoeveel bewijs is er voor de oeverloze  verplaatsing van landmassa's tijdens de aardgeschiedenis ?(uitgezonderd de continental drift volgens de theorie van Wegener die zeer aannemelijk wordt gemaakt door vele gegevens van de oceaanbodems en de continenten) 
2. We zouden de aardgeschiedenis kunnen verdelen over  drie perioden als we de miljoenen jaren voor 100% relativeren.
Periode I vanaf de schepping tot aan de zondeval in de hof van Eden
Periode II vanaf de zondeval tot aan de zondvloed
Periode III vanaf de zondvloed tot heden.
3. Gedurende I worden alle fossielen gevonden van organismen die leefden in zee, zoet water en op het land; hoofdzakelijk in kustgebieden. Dus vooral in overstromingsgebieden en grote moerassen.
4. Slechts een vrij gering deel van het aardoppervlak is onderzocht op fossielen. De vindplaatsen zoals vermeld in Triton natuur liggen grotendeels in  kustgebieden, gecombineerd met de gebergten die ontstaan zijn tijdens de perioden van orogenese; vooral die van de laatste Alpiene orogenese.
5. We dienen ons te realiseren dat fossilisatie een uiterst onnatuurlijk proces is. Alle dode organismen worden opgeruimd door aaseters, insecten, "wormen", schimmels en bacteriën. Er zijn vele vindplaatsen met honderden (soms duizenden) organismen. Waaronder vele zeer grote; zelfs reuzegrote! En snel zwemmende, vliegende of rennende.
6. Overweldigende natuurprocessen verlopen meestal zeer snel. Zoals  orkanen, vulkaanuitbarstingen, aardbevingen, modderstromen enz. Dit zal ook in het verleden het geval geweest zijn. Ingevroren mammoeten en andere grote dieren bevroren binnen enkele dagen of weken. In zeer grote aantallen over een enorm gebied! Alle bekende orogenese-processen kunnen in in enkele eeuwen verlopen zijn. 
7. Creationisten proberen steeds opnieuw rond het gebeuren van de zondvloed  (ong. 2300 v. Chr.) de meest heftige verstoringen van de aardkorst te groeperen. Zoals aardverschuivingen, vulkaanuitbraken, bloedgolven, gebergtevorming enz. Dit lijkt me geen goede route voor het verklaren van de belangrijkste geologische verschijnselen. De Bijbel zegt in Gen.7: in het 600e jaar van Noach, op de 17e dag van de 2e maand "braken alle kolken van de grote waterdiepte open en werden de sluizen van de hemel geopend. En de slagregen was 40 dagen en 40 nachten over de aarde". 
Kwam de zonvloed voor of na een periode van orogenese?
Waren de grote dinosauriërs al uitgestorven voor de vloed?
Werden de grote oceanen gevormd na de vloed?
In Gen. 10:25 wordt vermeld dat Péleg werd geboren. In zijn dagen werd de aarde verdeeld. Ongeveer 4 generaties na de vloed. Dus ong. 150 à 300 jr. na de vloed? Wijst deze tekst op het scheiden van de continenten volgens de theorie van Wegener? Of is hier sprake van geheel iets anders?
Wij geloven wat de Bijbel vertelt over de gebeurtenissen op aarde maar kunnen daar niet zo heel veel conclusies aan verbinden. Ook niet door een zgn. bijbelse wetenschap. Wetenschappelijke conclusies moeten altijd voortvloeien uit wetenschappelijk onderzoek. Bijbelse Openbaring kan en mag daarbij functioneren als licht op de weg van onderzoek dat beperkingen oplegt en vergezichten opent.
Maar ze mag geen rol spelen als argument binnen een wetenschappelijke verklaring.
                   


















                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                      






 

           
 
                                 
                


    





    

                                                          
     
                                


       
 
                   
                    

                                
               
                        






                       












Reacties